Verwerkingsvoorschriften lateien

  • De Lateien dienen te worden geidentificeerd op basis van de meegeleverd stukslijst(en).
  • De lateien dienen in een aardvochtig speciebed worden gelegd.
  • De nominale opleglengte is 150 mm met een minimum van 100 mm.
  • De lateien dienen tijdens het metselen alleen in zoverre spanningsvrij te worden ondersteund dat verdraaiing van de lateien wordt voorkomen. Als het metselwerk volledig of over een hoogte van minimaal de dagmaat is uitgehard kan de ondersteuning worden verwijderd.
  • Het metselwerk dient zo goed mogelijk tegen het verticale deel van de latei te worden geplaatst. De eventuele opengebleven ruimte dient met specie te worden gevuld.
  • Het metselwerk dient koud, dus zonder voeg, op de latei te worden geplaatst.
  • In de eerste laag metselwerk boven de lateien in een buitenspouwblad moet om de drie a vier strekken een stoofvoeg worden opengelaten.
  • In het geval van spouwmuurconstructies dienen boven het horizontale been van de latei, op afstanden van circa 350 mm en 600 mm, extra spouwankers te worden aangebracht, met een h.o.h.-afstand van ca. 500 mm
  • Bij lateien die een buitenspouwblad dragen dient een waterkerende folie c.q. slab te worden toegepast, die aan de uiteinden van de latei minimaal 100 mm door moet lopen.
  • Zonder medeweten van VKH zijn dilatatievoegen in de nabijheid van lateien niet toegestaan !
  • Voor specifieke informatie omtrent spouwankers wordt verwezen naar CUR aanbeveling 71 en NPR 6791.